Guido Geelen

teksten

Interview door Hans de Hartog Jager

December 2013, catalogus Facing Nature collectie De Heus - Zomer (Hans de Hartog Jager)

groep expositie Facing Nature collectie De Heus - Zomer

Guido Geelen heeft onlangs voor Barneveld een beeld gemaakt een meer dan manshoog, liggend ei dat is opgebouwd uit grote, bijna doorzichtige cirkels. Het is zacht uitgedrukt een opvallend beeld: zwaar verguld ligt het te glanzen voor het plaatselijke gemeentehuis, als een ruimteschip in de zon. "Henk en Victoria de Heus wilden Barneveld een cadeau geven naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van hun bedrijf", vertelt Geelen. "Zij vroegen mij een ontwerp te maken. Eerst ben ik ter plekke gaan kijken. Ik vind het altijd belangrijk om elke keer iets nieuws te maken, iets dat ik nog nooit heb gedaan, een verdieping of verbreding van mijn oeuvre. Toen bedacht ik dat ik meer dan tien jaar daarvoor ook al een beeld voor de familie had gemaakt, een geschenk van het personeel, maar aanleiding van Henks veertigjarig jubileum bij het bedrijf - een ei. Dat was in goede aarde gevallen, dus ik dacht: laat ik weer een ei maken, dan is de cirkel rond: eerst een ei van de 'gemeenschap' nu een ei voor de gemeenschap."


En je dacht niet: Barneveld, ei - dat ligt wel een tikje voor de hand?

"Natuurlijk, alleen toen ik met de burgemeester naar de bronsgie¬terij ging en hij vertelde dat ze vaak Chinezen op bezoek krijgen die Barneveld wel kennen en Amsterdam niet, besefte ik hoe belangrijk die eiercultuur hier is. Uiteindelijk kwam het vooral voort uit de gedachte de cirkel rond te maken."


Wat is er dan belangrijker als je een beeld maakt: de vorm of het verhaal erachter?

"Allebei toch wel, alleen vind ik het vaak lastig dat inhoudelijke verhaal goed te vertellen, gewoon omdat het altijd uit een heel complex van overwegingen bestaat. De eerste geste van het personeel speelde mee, het idee van Henk en Victoria dat het verguld moest zijn, de cirkels die al in dat eerste ei zaten, maar die daar nog echt gaten waren. Op mijn eerste tentoonstelling in 1985 bij galerie Paul Andriesse stond trouwens ook al een ei. Juist doordat ik die vorm steeds verder ben gaan onderzoeken, kon het formeel bezien een complex en fascinerend ding worden. Om die losse dunne cirkels een goed ei te laten vormen hebben computers echt dagen moeten rekenen. En ook het maken van die delen was zo complex, dat had twintig jaar geleden nog niet gekund. Maar daardoor is het wel een beeld geworden dat je nog nooit hebt gezien."


Grappig genoeg hoor ik je helemaal niet over kippen, of eieren die cadeaus bevatten...

"Nee, dat vind ik te flauw. En om eerlijk te zijn, vormtechnische overwegingen zijn altijd erg belangrijk in mijn werk, zeker zo belangrijk als de inhoudelijke."


Je maakt regelmatig beelden waarvan het motief direct aan de natuur lijkt te zijn ontleend, eieren, kippen, varkens, je hebt zelfs een reeks kolen gemaakt. Gaat het daarbij ook meer om de vorm, of zit daar ook betrokkenheid bij de natuur bij?

"Nou, dat is nogal dubbel. Ik voel me zeker betrokken bij de natuur, maar ik denk niet op de manier die jij nu bedoelt. Voor mij is het belangrijk dat mijn beelden eerst van klei en later van metaal zijn gemaakt - klei is toch ook natuur? Klei is aarde en bakken en stollen spelen ook altijd een belangrijke rol. Daarbij laat ik altijd heel nadrukkelijk zien hoe mijn beelden zijn gemaakt: inde klei zie je de handen en de vingerafdrukken, ik toon de naden van de mallen en aan mijn bronzen beelden laat ik altijd welbewust de gietkanalen zitten, zodat zichtbaar blijft hoe het brons heeft gestroomd voor het is gestold. Daar komen die gaten in mijn beelden trouwens oorspronkelijk ook uit voort; ik wilde laten zien dat het oppervlak een bepaalde wanddikte heeft en hoe het beeld was opgebouwd."


Die gaten lijken de beelden ook te ondergraven, te ontkennen bijna.

"Ja, dat element zit er al vroeg in, vanaf mijn eerste tulpenvazen. Dat waren weliswaar vazen, maar ik wilde er ook gaten in maken, waardoor ik de essentie van de vaas ontkende. Door die gaten konden ze natuurlijk niet meer als vazen functioneren. Het werden eigenlijk vergieten. Maar die gaten waren belangrijk, omdat ze de illusie doorbreken en laten zien hoe het beeld is opgebouwd, dat het hol is, hoe dik het materiaal is. Tegelijk geeft dat een mooi soort spanning, want als je teveel gaten in een beeld maakt, zakt het in elkaar en dan heb je niks. Die grens opzoeken, de vraag wanneer een beeld nog een beeld blijft, hoeveel gaten je er in kunt maken terwijl het toch herkenbaar blijft als een varken of een ei, dat interesseert me."


Hoe meer je vertelt, hoe meer ik de indruk krijg dat vormonderzoek toch vaak de drijfveer is.

"Nee, toch niet. Het begint altijd met een inhoudelijke reden, iets wat ik wil maken, een idee waar ik een vorm voor wil vinden. Daarna volgt het proces om voor zo'n idee de juiste vorm te vinden. Daarbij spelen zoveel inhoudelijk en vormtechnische componenten een rol... Neem het monument voor Marietje Kessels, het elfjarige meisje dat in 1900 werd verkracht en vermoord, dat ik hier in Tilburg maakte. Voor dat monument wilde ik bloemen gebruiken en toen kwam ik op dat idee om de bloemen in was te dompelen en daarvan bronzen afgietsels te maken. Ik begon met lelies, want die zijn het symbool van maagdelijkheid en onschuld en dat paste mooi bij Marietje. Maar toen ik de lelies voor het eerst uit de was haalde, klopte dat inhoudelijk absoluut niet. Ze werden heel puntig, agressief, bijna prikkeldraad en ook de don-kerbruine kleur van de was gaf precies het tegengestelde resultaat. Ik moest dus op zoek naar andere bloemen. Uiteindelijk zijn het Aronskelken geworden, die zijn heel zacht, bijna erotisch en dat bleek zowel vormtechnisch als inhoudelijk beter te werken. Maar toen ik daarmee klaar was en toen het bleek te werken, dacht ik wel: waarom heeft niemand dit nooit eerder gedaan?"


Zo'n bronzen bloem heeft ook een specifieke spanning: de bloem, symbool van leven, is tegelijk morsdood, want brons.

"Die hebben ook die dubbelzinnigheid hè? Aan de ene kant bestaan ze uit klei die gestold is, stil staat, gebakken is, aan de andere kant zet je er bloemen in. Op dat moment zijn ze op hun mooist, maar hoe langer ze in de vaas staan, hoe verder ze verwelken. Daarmee is zo'n vaas met bloemen als geheel eigenlijk een beeld dat voortdurend verandert en uiteindelijk toch een symbool van vergankelijkheid."


Vind je het belangrijk dat de toeschouwers die dubbelzinnigheid er uithalen?

"Oh ja, al is het maar omdat die dualiteit steeds terug komt in mijn werk. Het gaat altijd over dubbelzinnigheid, over het vereni¬gen van tegenstellingen: abstract en figuratief, kleur en geen kleur, leven en dood... Een beeld dat alleen het leven bezingt, daar vind ik niks aan. Er moet altijd ook dood in zitten. Mensen zeggen vaak dat ze die gaten in mijn beelden zo macaber vinden, maar voor mij zijn die gaten belangrijk om zo'n beeld meer te laten zijn dan een simpele constatering. Juist door die gaten, door die ingreep in de normale werkelijkheid wordt het kunst."


Je hebt ook liggende mensfiguren gemaakt die als vazen functioneren. Gaan die over de manier waarop de mens de dood al in zich draagt?

"Mmmh, doordat ze zowel mens zijn als vaas, refereren ze natuurlijk wel aan de vergankelijkheid maar ze heten niet voor niks De anatomische les. Ze gaan ook over ontleden, het uit elkaar halen van een object, van een mens. Maar zo'n beeld heeft ook te maken met het idee dat ik mijn oeuvre steeds verder wil ontwikkelen. Mensfiguren kon ik aan het begin van mijn carrière absoluut niet maken. Maar langzaam heb ik me ontwikkeld, zowel vormtechnisch als inhoudelijk, en nu kan ik dat wel aan. Dat vind ik prettig, want ik wil mijn visuele vocabulaire blijven uitbreiden."


Je vader was smid, in hoeverre is je liefde voor materiaal en voor vuur daar al begonnen?

"Dat vragen mensen wel vaker, maar ik weet het niet... Ik denk dat ik door die jeugd in Thorn wel anders naar de romantiek van het platteland ben gaan kijken - ik geloof daar niet zo in. We hadden thuis varkens en kippen voor vlees en een moestuin. Het was bijna autarkisch. Maar doordat ik dat leven echt heb meegemaakt, is die hele moderne romantiek van moestuintjes en het boerenbestaan niet erg aan mij besteed, daarvoor ken ik het te goed."


Maar je kunt wel zeggen dat die confrontatie tussen natuur en cultuur steeds in je werk terugkomt.

"Ja, misschien... Ik weet het niet, ik heb het geloof ik niet zo op dat soort freudiaanse verklaringen - misschien ben ik gewoon geen natuurmens. Aan de andere kant", hij denkt even na, "ga ik de laatste jaren wel steeds vaker in de winter naar Zuid-Europa. Hier in Nederland is zoveel lawaai, zoveel drukte... Ik vind het heerlijk om al die menselijke drukte achter me te laten, om rust te hebben. Dat zou je kunnen zien als mijn manier om terug te gaan naar de natuur. Ik heb trouwens ook een enorme hekel aan de winter. Ik word echt depressief van de kou, kom nauwelijks tot werken en dat gaat daar veel beter. Zo bekeken kun je dus zeggen dat de seizoenen wel veel voor me betekenen, ik leef er mee, ik pas me er zelfs bij aan."


Toch nog een natuurmens.

Geelen lacht. "Ja, maar anders dan ik zelf zou willen."