Guido Geelen

teksten

Waar bloemenvazen honden blijken te zijn

10 oktober 2000, Trouw (Sandra Spijkerman)

solo expositie Guido Geelen, Vuur-Werk 1987-2000

Drie zacht glanzende, zilverkleurige honden liggen in de Sandberg-vleugel van het Stedelijk Museum in Amsterdam op hun rug. Met de hondenlijven licht gekronkeld, de poten in de lucht en kopjes achterover lijken ze de bezoeker te willen verleiden hen eens over hun bastje te kroelen. Niemand zal daartoe overgaan, want deze harige viervoeters, volgestoken met bloemen, doen dienst als vaas. Het zijn drie beelden van de beeldhouwer Guido Geelen (1961). Eind vorige maand kreeg hij de Heinekenprijs voor de beeldende kunst uitgereikt.

Aangenaam verrast was Guido Geelen toen hij in april van dit jaar hoorde dat de jury, onder leiding van de oud-direc-teur van het Rijksmuseum in Amsterdam, Henk van Os, hem had uitgekozen voor deze tweejaarlijkse prijs. Geelen kende de Heinekenprijs wel - vorige keer was die aan Jan van der Pavert toegekend - maar de beeldhouwer had geen weet van het voortraject van deze ronde. Het geld dat aan deze prijs verbonden is, heeft Geelen gedeeltelijk besteed aan een prachtige oeuvre-catalogus, die op het moment van de prijsuitreiking uitkwam. Een overzicht van zijn werk van de afgelopen veertien jaar is momenteel onder de titel 'Vuur Werk 1987 -2000' te zien in het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Van een afstand lijken Geelens beelden te bestaan óf uit grote, vaak geometrische vormen, óf uit een vormeloze organische massa. In het eerste geval doen de hoofdvormen sterk denken aan de sculpturen van de minimal art uit de jaren zestig en zeventig. In beide gevallen blijkt echter als je dichter bijkomt, dat de hoofdvormen zijn opgebouwd uit allerlei kleinere onderdelen. Een werk uit de collectie van kunstcentrum De Pont in Tilburg oogt als een muur van rode klei. Dichterbij worden tv's, hondjes, een poef, flessen en veel andere huisraad en gebruiksvoorwerpen zichtbaar.
Hetzelfde gebeurt bij het naderen van een serie sculpturen die op het eerste gezicht veel weg hebben van vazen van het beroemde Meissen-por-selein uit de achttiende eeuw. Op de barokke vorm, van een afstand organisch, bijna amorf aandoend, bevinden zich allerlei kleine speelgoedboerderij-figuurtjes. De eerste sculptuur is ongeglazuurd, de tweede is van een zilverkleurig glazuur voorzien en de derde is overwoekerd met 'plakplaatjes, uit de porseleinindustrie. Grappig is de ontdekking dat een koe bedekt is met het plaatje van een vis.
Zoals zoveel kunstenaars uit de twintigste eeuw is Geelen een kunstenaar die assembleert. Hij modelleert zijn beelden niet langer uit klei of een ander materiaal, noch hakt hij ze uit hout of steen. Nee, hij stapelt. Die stapelingen bestaan bij Geelen bovendien uit bestaande voorwerpen waarvan hij, in veel gevallen, afgietsels heeft gemaakt. Er zit dus nog een stap tussen. Het gebruik van afgietsels uit een en hetzelfde materiaal met eventueel eenzelfde afwerking (glazuur) zorgt voor de uniformiteit van éen beeld. Door die uniformiteit heb je pas in tweede instantie in de gaten dat je naar iets anders kijkt dan je op het eerste gezicht dacht. De bloemenvazen blijken dan tot je verbazing - en genoegen -ineens honden te zijn. x
Hoewel klei voor Guido Geelen altijd een belangrijk medium was en is, heeft hij vanaf 1994 ook werken in brons en later, vanaf 1998, ook in aluminium uitgevoerd. Niet zozeer dat Geelen uitgekeken was op klei; eerder waren het de opdrachten en de situaties waarvoor hij de beelden maakte, die om een ander materiaal vroegen. Zo heeft hij voor het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht beelden op het dak gemaakt. In zware materialen als klei en brons hadden deze beelden niet kunnen worden gerealiseerd. Het lichtere aluminium bleek wel geschikt. Net als de Mei benadert deze kunstenaar ook brons en aluminium op een onorthodoxe wijze. Hij laat de gietkanalen, die normaal gesproken worden weggehaald en afgewerkt, met opzet intact. Op die manier ontstaat er een netwerk van buizen waarmee de verschillende onderdelen van een beeld aan elkaar verbonden zijn. Als bloedvaten verbinden de gietkanalen de onderdelen en maken het tot een levend(ig) beeld. Daarnaast laat het tevens de manier van ontstaan zichtbaar, zoals de architecten van Centre Pompidou aan de achterkant van het gebouw ook alle transportkanalen zichtbaar hebben gemaakt.
Het in- en uitzoomen dat voor Geelens beelden noodzakelijk is, de doorboringen, de verwijzingen naar de geschiedenis 'van de kunst die in zijn werk opgesloten liggen en de tegenstellingen die erin versmelten - oud en nieuw, het banale met het verhevene, structuur en chaos - dat alles zorgt er voor dat de beelden van Geelen letterlijk en figuurlijk een even complexe als duideüjke gelaagdheid bezitten. Het is die gelaagdheid en het eigengereide materiaalgebruik die de jury ervan hebben overtuigd dat dit jaar aan Guido Geelen de Heinekenprijs moest worden toegekend. Daar kun je ze geen ongelijk in geven, want het is fascinerend werk, dat met grote helderheid en met een perfect gevoel voor detail is gemaakt.