Guido Geelen

teksten

Kritiek - Guido Geelen

26 oktober 2000, De Volkskrant (M. Februari)

solo expositie Guido Geelen, Vuur-Werk 1987-2000

De werking van de kunstkritiek heb ik pas goed begrepen toen ik ooit een verhaal las van de Israëlische satiricus Ephraïm Kishon. Dat verhaal beschrijft het wrede lot van een journalist die post krijgt van een anonieme bewonderaar. De journalist, schrijft deze bewonderaar, is de beste in zijn soort. Zijn stijl is ongeèven: aard, zijn scherpzinnigheid is uniek. Lange tijd ontvangt de journalist brieven van zijn fan, met steeds dezelfde boodschap.
Maar dan verandert er iets. De fan betoont zich kritisch over een artikel. Het is niet erg, schrijft hij, en het is waarschijnlijk een eenmalige uitglijder. Maar toch. De journalist schrikt op en doet extra zijn best. De fan is niet tevreden. Wat is er toch gebeurd, schrijft hij, dat de kwaliteit van uw werk de laatste tijd zo overduidelijk achteruit holt? De journalist krijgt de schrik nu goed te pakken en schrijft zijn stukken met nog meer inzet dan voorheen. Het baat niet, de fan (in feite natuurlijk de aartsvijand van de journalist) wendt zich teleurgesteld af. De journalist stort in.
Dat je diep zult vallen, wanneer je tot grote hoogten bent gestegen, is algemeen bekend. What goes up, must come down. Maar er wordt weinig gesproken over het causale verband tussen dit stijgen en dit vallen. Zoals het verhaal van Kishon laat zien, is het vallen pas werkelijk pijnlijk wanneer het wordt veroorzaakt door dezelfde criticus die het stijgen- teweeg heeft gebracht. En soms speelt dit hele angstaanjagende proces zich af binnen het bestek van één enkele recensie.
Janneke Wesseling (NRC Handelsblad) begint enthousiast te schrijven over de tentoonstelling Vuur-werk van de beeldhouwer Guido Geelen in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ze staat in haar enthousiasme niet alleen. Geelen kreeg onlangs de prestigieuze dr. A.H. Heinekenprijs, een kunstprijs die dit jaar werd bestemd voor keramiek. Tentoonstelling en prijs geven aanleiding tot veel publiciteit.
Sandra Spijkerman in trouw ('fascinerend werk'), Sacha Bronwasser in de Volkskrant ('na vijftien jaar daadwerkelijk al sprake van een oeuvre'), Franchise Ledefyoer in de GPD-bla-den ('Geelen verdient de vanzelfsprekende extra publiciteit ten volle'): allemaal zijn ze vol lof. Het werk is onorthodox, verrassend, technisch perfect. Het Brabants Dagblad is voornamelijk trots dat de Tilburgse kunstenaar Geelen in Amsterdam exposeert en komt met een verslag van de opening: 'Ook moeder Geelen, 81 inmiddels, was van de partij.' De Telegraaf houdt het met 232 woorden wel erg kort, maar komt met de prachtige zin: 'Van het recente werk valt vooral zijn gouden varken op.'
In NRC draagt Janneke Wesseling aanvankelijk flink bij aan de feestelijke stemming. 'Ook wie niet vertrouwd is met keramiek herkent direct de virtuositeit van zijn beelden,' schrijft ze. En 'een beeld van Geelen is nooit een beeld zonder meer'. Het belooft een lovende recensie te worden. Wesseling gebruikt aangename woorden als 'poëzie', 'exuberantie', 'ongerijmd en grappig', 'verleidelijke kleuren', en 'venster, waardoor een hele wereld is te zien'. Geelen treft hier duidelijk een bewonderaar.
Dan sluipt het woord 'maar' de recensie binnen. En: 'niet'. En: 'geen'. Het oeuvre van Geelen 'heeft geen stilistische of inhoudelijke constante,' schrijft Wesseling, 'geen echte noodzakelijkheid. De enige constante is de ambachtelijke vaardigheid van de maker.' De waardering voor Geelens virtuoze vaardigheid die het eerste deel van de recensie kleurde, wordt nu opeens door het woord 'weliswaar' opgeslokt: 'Deze vaardigheid, die op zichzelf weliswaar bijzonder is...'
Drie zinnen voor het einde van het stuk valt het mes: 'Deze vaardigheid, die op zichzelf weliswaar bijzonder is, leidt tot spielerei. Niet tot sculptuur, tot beelden met een betekenisvolle vorm.' En zo kan het gebeuren dat een recensie onder de kop 'Virtuositeit van Guido Geelen', eindigt met de afgrond van het woord 'zwakte'.