Guido Geelen

teksten

Geelens klei spot met rigide vorm

3 oktober 2000, De Volkskrant (Sacha Bronswasser)

solo expositie Guido Geelen, Vuur-Werk 1987-2000

Voor de sloopbal er tegenaan gaat, kan de Nieuwe Vleugel van het Stedelijk Museum nog eens laten zien waar Willem Sandberg hem ooit voor had bedoeld. Met de beelden van Guido Geelen erin is de vleugel weer een etalage. En wat voor één!
Verleidelijker waar dan die van Geelen zag je er zelden. Naar binnen moet je, dichterbij, tot je op je hurken zit, je neus erbovenop, om ook dat ene koetje in het binnenste van dat varken te zien.
Afgelopen vrijdag ontving Guido Geelen (39) de A.H. Heine-keriprijs voor de beeldende kunst De kunstenaar maakt beelden van aardewerk, porselein, brons en aluminium. Vooral de conventies uit de keramiekwereld lapt hij daarbij aan zijn laars.
Geen kop en schotels, maar wasmachines en televisies van porselein. Glazuur en platina druipen over het oppervlak. Kitscherige decoratieplaatjes van serviesgoed worden als kleur gebruikt. Beelden worden met zoveel gaten doorboord, dat ze nog maar net samenhang houden. En vazen? Oké, Geelen maakt vazen, als je bereid bent om je bloemen in de buik van een kroelende aardewerken fox-terriër te steken.
De tentoonstelling Vuur-werk 1987-2000 geeft een overzicht van het oeuvre van Geelen in ruim tien werken. Elk exemplaar vertegenwoordigt een stijl waar binnen
Geelen alle mogelijkheden verkent, voor hij op naar het volgende hoofdstuk gaat. Dat hij daarbij soms inventief gebruikt maakt van zijn vroegere werk, zorgt ervoor dat er na vijftien jaar daadwerkelijk al sprake is van een oeuvre.
Eén van de bekendste, een sleutelwerk, is waarschijnlijk de 'muur' van aardewerken voorwerpen uit de collectie van De Pont (zonder titel, 1992). Geelen maakte mallen van alledaagse voorwerpen (een tv, teddybeer, porseleinen honden en andere dieren, fruitmand, toetsenbord, gitaar, kandelaar) en perste de nog natte voorwerpen in rechthoekige bekisting voor ze de oven ingingen. Het werden bouwstenen voor een fikse muur, een minimalistische sculptuur, volgepropt met huiskamerprullen.
Heel slim verwijst de muur naar van alles: naar bakstenen, naar het minimalisme. Naar stapelingen van de nouveaux réalistes. Naar verstikkende volgestouwde interieurs. Achteruit, naar de stapelingen van klei die Geelen hiervoor maakte. En vooruit, naar beelden waarin steeds meer kleine beelden (honden, koeien, kippen) opduiken.
In de vroege werken (tot 1990) lijkt Geelen streng. Hij stapelt witte klei tot ritmische muren, met diabolo's, bollen, kubussen, 'broodjes'. Maar al van veraf zie je dat de klei spot met de rigide vorm. Slappe drollen zijn het, natte lappen in een keurslijf geperst.
Een werk verder doet de figuratie zijn intrede: de strengen klei zijn eerst door een mal gedrukt, en
daar waar de stroken afgesneden worden verschijnt de vorm van een letter, een bloem of een paar-denkop. En dat ook nog eens afwisselend bespat met zwarte en witte glazuur.
De 'vulling' en de detaillering gaan steeds meer overheersen, tot Geelen die strakke buitenvormen helemaal loslaat.
Het pronkstuk van de tentoonstelling, een verguld varken en dito kip, laten een veel frivolere Geelen zien (Zonder titel, 2000). Beide dieren zitten gevangen in een stelsel van gietkanalen. Daaruit loopt na het gieten het overtollige brons weg, en Geelen laat die
littekens' gewoon zitten. Het varken heeft daardoor een stok aan de buik hangen; de kip wordt door een staaf aan de grond gespiest.
Vervolgens, zijn de beesten met een rondboor opengewerkt en verguld. Over de rug en in de buik van het varken lopen kleine koetjes.
Die kleine beestjes vind je overal terug. Kruipend uit een delft-blauwe wasmachine, verscholen tussen de golven van een met de handen geknede schaal. Uitgevoerd in grofpukkelig rood aardewerk, of gladgestreken glazuur, bedekt met bloemenplakplaatjes. Steeds weer moet je inzoomen,
om te zien dat die kruimel in de hoek eigenlijk een varkentje in een schuimende zee van aardewerk is.
De kleur van aardewerk loopt als een rode draad door het werk, zelfs onder al die lagen verguldsel, glazuur en plakplaatjes. Guido Geelen groeide ermee op. Zijn jeugd bracht hij door in Thorn, Limburgs dorp in het Maasdal, waar veel fabrieken voor dakpannen en aardewerk zijn. Als kind al haalde hij er emmers klei en mocht af en toe iets laten meebak-ken, in de grote ovens.
De liefde voor het materiaal zie je terug. Aardewerk werd door hem losgemaakt van bloempotten en dakpannen; en met dezelfde inventiviteit ging hij ander materiaal te lijf.
Zelfs in een relatief kleine presentatie zie je de ambachtsman terug. Geelen kent zijn métier door en door, en giet brons of plakt Delftsblauw met evenveel aandacht. Wat hij maakt is even belangrijk als de manier waarop hij het doet en dat zorgt voor meer betekenis.
Aan de entree van de expositie hang een tros beelden van handen. Ze zijn gemaakt in opdracht van uitgeverij Wolters Kluwer en beelden het vingeralfabet voor doven uit. Weer dat staketsel van gietkanalen. Dunne gietsporen lopen als extra bloedvaten over de handpalmen. En daar waar het aluminium er in- en uitstroomde, is een trechter blijven zitten; een schetterende trompet voor een doodstil alfabet.